derde editie
Redactioneel
Waarde lezer en lezeres,
Onze dank is wederom groot. Dat u in uw spaarzame tijd een blik werpt
op onze krant, strekt ons tot eer.
In deze derde aflevering van de Gazet maken wederom bekende, onbekende
en verscholen auteurs hun opwachting - nee, schrikt u niet: wij zijn
niet gerestyled en gratis blijven we ook. De vaste rubrieken ziet u
gewoon weer terug. Het vaste interview met onze chef-kok zagen we
helaas verstoord door tussenkomst van zijn muze. Daarom zagen we ons
genoodzaakt de krant met enkele pagina’s uit te breiden.
Waarde lezer, u bladert in een dwars doch oprecht periodiek. Al wat
wij u vragen is: aanvaard dit werk!
Uw hoofdredactie,
(S &* F)
ARTIST IN RESIDENCE (KEUKEN)
In deze Gazet plaatsen wij wederom een aantal tekeningen van beeldend kunstenares Elise van Iterson, die ons na twee jaar koken (haar tweede liefde) gedag gaat zeggen. Zie ook pag. 6
IN DE GLAZEN KASTJES
William Maxwell, Tot ziens, tot morgen (Uitgeverij Cossee).
William Maxwell (1908-2000) was vanaf 1937 redacteur van The New Yorker en begeleidde er veertig jaar lang schrijvers als Vladimir Nabokov, J.D. Salinger en John Updike.
Zijn eigen werk is met vele onderscheidingen bekroond en in alle belangrijke talen vertaald.
Altijd bij Schiller
DOOR André Klukhuhn
Er zijn weinig dingen zo prettig als na een lange, eenzame werkdag de deur van de studeerkamer dicht te trekken en de gezelligheid van café-restaurant Schiller op te zoeken om daar onder het welverdiende genot van het een en ander de zojuist opgenomen leesstof nog eens rustig te overdenken.
Zo kwam ik laatst, na het lezen van Rüdiger Safranski’s Romantiek, een Duitse zaak achter het tafeltje naast de antieke koelkast opnieuw tot de conclusie dat er grofweg op twee verschillende manieren kennis van de wereld kan worden genomen. De ene manier doen we met het verstand, zoals gepropageerd door de verlichtingsdenker Immanuel Kant, en bij de andere gebruiken we het gevoel, zoals de dichter Johann Wolfgang von Goethe zich dat voorstelde.
Wat me altijd heeft verbaasd is dat de ‘verlichte’ huismus Kant en de romantische zwerver Goethe, allebei giganten van de geest, elkaar nooit hebben ontmoet of gesproken, hoewel ze ongeveer in dezelfde tijd leefden en in hetzelfde taalgebied woonden. Van Kant is bekend dat hij zich wat de poëzie betreft slechts belangstelling had voor limericks en als het om muziek ging alleen zijn bed uitkwam voor de zondagse concerten van de militaire blaaskapel in zijn woonplaats Koningsbergen. En van Goethe weten we dat hij weliswaar enige waardering had voor Kants Kritiek van het oordeelsvermogen, maar dat hij over diens meesterwerk Kritiek van de zuivere rede alleen knorrig heeft opgemerkt dat hij meteen in het begin al de draad volledig was kwijtgeraakt.
Tegenwoordig, nu we iets meer weten over de anatomie van het menselijke brein, zouden we zeggen dat Kant alleen het rationele, logische, ‘mannelijke’ linkerdeel van zijn hersenen gebruikte, terwijl Goethe slechts beschikte overweg het emotionele, intuïtieve, ‘vrouwelijke’ rechterdeel, zodat beide heren alleen maar de helft van de werkelijkheid in beeld hadden, maar wel ieder de andere helft, zodat ze werkelijk geen bal van elkaar begrepen.
Nee, dan Friedrich von Schiller (geen familie), een generatie jonger dan Kant en Goethe, maar wel met beide heren bekend. De innige vriendschap tussen Goethe en Schiller is legendarisch en het in brons gegoten bewijs daarvan, de dubbelsculptuur in Weimar, wordt dagelijks door vele bewonderaars bezocht. En Schiller heeft het werk van Kant nauwgezet bestudeerd en had daar grote bewondering voor. Het is Schiller zelfs gelukt om zowel Goethe als Kant bereid te vinden te publiceren in het door hem opgerichte tijdschrift Die Horen. We kunnen dus onbekommerd stellen dat Schiller over beide hersenhelften beschikte en als zodanig veel belangrijker is voor de westerse cultuurgeschiedenis dan zijn veel beroemdere, maar gemankeerde vrienden Kant en Goethe. Of anders gezegd: welke weg je ook bewandeld – de rationele van Kant of de emotionele van Goethe – als je even doorloopt kom je altijd weer bij Schiller terecht.
SCHILLERKUNST
DOOR Johannes van Dam
Kunst zie je om verschillende redenen in restaurants. Daar heb je om te
beginnen de armlastige schilders die hun consumpties in natura betalen.
Meestal levert dat een geweldige verliespost op voor de uitbater, maar
soms komt een kunstenaar onverwachts tot late roem, vaak als hij goed
en wel onder de zoden ligt, en de restaurateur plotseling zijn
investering dubbel en dwars terug kan verdienen. Het Volendamse Hotel
Spaander is daar een goed voorbeeld van. Overigens kwamen daar vroeger,
behalve schilders, vooral nette mensen. Nu is het er een beetje een
zooitje ongeregeld. Ik at er ooit en vroeg waarom ze in plaats van
vieze fabrieksmayo niet zelfgemaakte mayo serveerden bij die eindeloze
porties friet. Er gingen immers sloten van doorheen.
Het antwoord: dat deden we vroeger ook, maar de moderne consumenten,
m.a.w. het modene gespuis dat tegenwoordig de horeca bezoekt, mist het
zoetzure smaakje van fabrieksmayo en weigerden onze superieure. Dus
houden we ons bij Gouda's Glorie.
Spaander hangt nog steeds vol met schilderijen uit de lange traditie van dit hotel.
Bij Schiller is het net andersom. Ook daar veel schilderijen, maar hier
was het de uitbater zelf die zijn klanten schilderde en ergerde door ze
aan de muur te hangen.
Niet mis is ook het ‘vermurail paneel van Joop Sjollema uit 1948, een
door Joep Nicolas bedachte vorm van kunst, die je het beste als
muurglasschildering of muurglas kunt vertalen.
Alleen al de kunst en de decoraties van de Schillerbar zijn volstrekt
uniek en de moeite waard – en dan heb ik het nog niet eens over de
kookkunsten van de chef hier gehad, die ook niet mis zijn. In 2008
bezocht ik het professioneel en achtte het een 9+ waard, ondanks het
feit dat je niet op het terras mocht eten.
Het rookverbod heeft inmiddels ook daar zijn heilzame werk gedaan: op
dat – inpandige – terras mag je wel roken en het is dus een van de
weinige plekken in de stad waar tabaksjunkies aan hun trekken kunnen
komen tijdens een maaltijd. Dat je daar dus toch nog de kans loopt in
de dampen te zitten, neem ik maar op de koop toe. Een straffe winter en
al die rokers zijn bezweken aan longontstekingen en andere aan winterse
temperaturen gerelateerde ellende.
Geduld is de schoonste kunst, zeker in de Schillerbar, waar de tijd voortraast en toch stil lijkt te staan!
Reisreportage:
BIJ SCHILLER'S IN NEW YORK
DOOR Rudie Kagie
De vraag waar je in New York voor je natje en droogje terecht kunt, is weer wat makkelijker te beantwoorden. In de Lower East Side, op de hoek van Rivington Street en Norfolk Street, ontdekten we Schiller’s Liquor Bar. Een wereldzaak, die zich zes jaar geleden op dit adres vestigde.
In tegenstelling tot hetgeen de naam doet vermoeden, gaat bij Schiller in de Big Apple veel meer over de toog dan uitsluitend sterke drank. Op werkdagen kun je er vanaf elf uur ’s morgens terecht voor ontbijt of lunch; tussen zes uur ’s avonds en middernacht is er een eenvoudig diner menu. Populair zijn de frites met mosselen (‘with white wine, curry and cream’) en de ‘rotisserie chicken with roast potatoes’ beiden voor achttien dollar (tel daar in New York zo’n vierenhalve dollar bij op voor belasting en fooi). Van middernacht tot drie uur ’s morgens wordt in de weekends bovendien een ‘supper’ geserveerd (dat een aantal overlappingen met het ‘dinner’ vertoont). De inrichting is minder een bezienswaardigheid dan die van de monumentale Schiller-bar op het Amsterdamse Rembrandtplein, maar wie daar een punt van maakt, is bezig om appelen met peren te vergelijken (of: ‘apples with oranges’, zoals ze in de VS zeggen). Vooral ’s avonds is het meestal zo druk bij Schiller’s Liquor Bar dat het onbegonnen werk is om een zitplaats proberen te veroveren. In de weekends is het superdruk, maar het uitgaanspubliek dat hier komt, vindt het juist gezellig om door een menigte te worden opgeslokt. New Yorkers zijn qua horeca nogal verwend, getuige de matige score die de lokale Schiller op diverse beoordelingssites in de wacht sleept. De huiswijn komt in drie categoriën: ‘cheap’ (zes dollar per glas of vijftien dollar per karaf), ‘decent’ en ‘good’ (acht dollar per glas of eenentwintig dollar per karaf.) Een fles champagne kost tachtig dollar, er is een leuke collectie bieren en verder uiteraard de fameuze cocktails, waar de gemiddelde Amerikaan wel pap van lust. Kortom, echt een adresje om te onthouden als je toch in New York moet zijn. Neem ruimschoots de tijd voor je bezoek, dat doet de bediening ook. Verzeker je van het gezelschap van voldoende vrienden en bekenden; dan voel je je minder verloren als je in het zweterige gedrang rond de bar dreigt te worden platgedrukt.
Eigenaar Keith McNally is een Brit die in 1975 naar New York emigreerde. Zijn eerste baantje was oesterkraker in een visrestaurant, maar dank zij keihard werken slaagde hij er in 1980 samen met een compagnon in om restaurant The Odeon openen, in 1983 gevolgd door Café Luxembourg. Ook Nell’s, Lucky Strike. Pravda en Balthazar maken deel uit van het imperium. Het zou wat voorbarig zijn om Schiller’s de kroon op het pionierswerk van McNally te noemen, maar het is in ieder geval wel een café-restaurant met een dijk van een naam.
Het oude Rembrandtsplein
Marsch, opgedoken dooor Lodewijk Brunt
Al reisde je de wereld rond,
Al zag je Oost en West
Je voelt je in je eigen land
Toch altijd maar het best.
Omdat je steeds iets missen moest,
Wáár je ging of kwam
Het was je oude Rembrandtsplein,
Het hart van Amsterdam.
(refrein)
Rembrandtsplein, Rembrandtsplein
Ja, daar kan toch ied’re Amsterdammer trotsch op zijn!
Rembrantsplein, Rembrandtsplein
Dat zal over honderd jaar nog steeds hetzelfde zijn
Rembrandtsplein, Rembrandtsplein
Want vandaar begint toch de victorie!
Nooit taant de roem, de oude glorie
van het mooie Rembrandtsplein
Zelfs Picadilly, Leicester Square,
Montmartre, Reperbahn
Dat kan je met ons Rembrandtsplein
Niet vergelijken gaan.
Want wààr ter wereld vindt je toch
Die oude Romantiek?
De sfeer van ’t plein, die stemt je soms
Blij en melancholiek.
We zien daar als ’t symbool van Kunst
Het beeld van Rembrandt staan
Door hém zal nooit van ’t oude plein
De roem verloren gaan
’t Mag zijn dat ’n ander deel der stad
Zijn eigen schoonheid biedt
De “Charme” van het Rembrandtsplein
Die vindt je elders niet.
(schrijver van het lied onbekend - de muziek en de tekst kon je voor 50 cent kopen in het begin van de 20e eeuw, inclusief de taalfouten)
PROFIEL
De leverancier van al onze gedroogde kruiden, noten, truffels en andere juwelen
Vanilla Venture, groothandel in delicatessen.
Ze zijn ooit begonnen met de import van vanille uit tropische gebieden, volgens Vanilla Venture de koning onder de specerijen. Nog steeds hebben ze de beste vanille, maar inmiddels ook een enorm uitgebreid assortiment: truffel, olie, saffraan, azijn, paddestoelen, olijven mosterd, kaviaar, azijn, charcuterie, eenden- en ganzenlever, thee, peper, kruiden, zout, noten, rijst, peulvruchten. Van alle produkten een grote reeks met de beste kwaliteit.
Tegenwoordig verkoopt Vanilla Venture ook frisdrank en wel Fever Tree, een prachtig merk uit Londen. Frisdrank gemaakt met de beste natuurlijke ingredienten. 31 oktober hebben we een speciale avond in Cafe Schiller in samenwerking met Fever Tree: G & T grand de luxe.
ESSAY
Viltjes
Door Douwe Douwes
Freddy Heineken was wat ze noemen een ‘markante persoonlijkheid’. Daarover zijn vriend en vijand het wel eens. Freddy dronk liters witte wijn met zijn boezemvriend prins Bernhard, reed rond in dure auto’s, had een goed oog voor mooie vrouwen. Freddy bouwde zijn familiebedrijf uit tot een van de grootste bierbrouwerijen ter wereld, draaide de e’s in zijn logo een beetje waardoor die op lachende gezichtjes gingen lijken, en bedacht hoogstpersoonlijk de ijzersterke slogan ‘Heerlijk, helder Heineken’. Freddy produceerde een speelfilm, waarin de hoofdrol werd gespeeld door een stewardess met wie hij een verhouding had. Toen die met een ander trouwde, verbood hij verdere vertoning. En op hoge leeftijd ontwierp Freddy nog een nieuwe kaart van Europa, waarin de landen waren vervangen door regio’s. Door rekening te houden met allerhande etnische gevoeligheden zou ‘Eurotopia’ vrede en stabiliteit brengen, zo was de gedachte.
Ja, Freddy Heineken was iemand met wie een schooljongen zich best wil profileren. Dus toen de gelegenheid zich voordeed, greep ik de kans met beide handen. Dat de afstand tot de grote Freddy over minimaal zes schijven liep, en dat de aanleiding prozaïsch was, dat deed allemaal niet ter zake.
Ik had eind jaren tachtig namelijk een Verhaal over Freddy, een verhaal dat verder niemand kende. Voor zover ik kon nagaan in ieder geval. En daarmee straalde een heel klein beetje van de gloed van Freddy op mij af. Het verhaal ging over bierviltjes.
Een ijverige manager bij de brouwerij was het opgevallen dat bierviltjes nogal dik waren. En dat viltjes dik waren, dat betekende dat er veel materiaal in verwerkt was. Nu is dat bij viltjes oud papier, en dat is op zich niet zo heel erg duur. Maar bij de klanten van Heineken – café’s en restaurants en hotels - gaan er in een jaar een hele hoop viltjes doorheen. Als je daar wat op weet te beknibbelen, dan levert dat al snel een paar miljoen op. Bovendien nemen dunne viltjes minder ruimte in. Dat scheelt in de kosten van transport. Dit alles had de manager bedacht.
En hij had het daar niet bij gelaten. Als speciale verrassing voor Freddy, de baas immers, had hij met de viltjesleverancier onderzocht of die een dunner viltje kon maken. Na veel onderzoek kwam het hoge woord eruit: het kon.
Trots als een pauw legde de manager zijn plan bij Freddy op tafel. Een bezuiniging van miljoenen, daar zou de biermagnaat ongetwijfeld heel blij mee zijn. Het kostje van de manager was gekocht, dat kon niet missen.
Freddy pakte zijn pen (ongetwijfeld een dure Mont Blanc) en zette een grote streep door het voorstel. ´Gelul!’, sprak de flamboyante multimiljonair. Dat de manager al een paar miljoen had uitgegeven om het dunne viltje te ontwikkelen, kon Freddy niet vermurwen. Hij was bijzonder gehecht aan het vertrouwde viltje. Hoe het met de carrière van de enthousiaste manager is afgelopen, vertelt het Verhaal niet.
De geschiedenis heeft de manager overigens gelijk gegeven. In geen enkel café zie je nog van die ouderwetse, dikke viltjes. Die waren overigens wel veel beter dan de nieuwe dunne. Ze absorbeerden veel meer. Op de nieuwe viltjes blijft het vocht alleen maar liggen. Daar heb je eigenlijk helemaal niets aan. Dat had Freddy destijds al prima in de gaten.
Ik heb het Verhaal menigmaal verteld. En nooit gecontroleerd of het eigenlijk wel klopt. Dat ben ik ook niet van plan: de waarheid mag een mooi Verhaal nooit in de weg staan.
Eten bij Schiller
DOOR Lodewijk Brunt
Het Schiller-hotel was de schepping van George Schiller. Hij had van restaurant De Kuil een begrip gemaakt en in 1892 kocht hij ook café Du Parc - een troosteloze kroeg, die Schiller omtoverde tot nóg een juweel van het Rembrandtplein. Op aandringen van de Amstelbrouwerij zette hij een grote stap voorwaarts - hij realiseerde het schitterende Hotel-Café-Restaurant Schiller. Hij adverteerde met een fraaie brochure, waarop het grand hotel in volle glorie stond afgebeeld. Op de voorgrond het beeld van Rembrandt, in een keurig aangeharkt plantsoen met comfortabele wandelpaden.
Het hotel had ‘modern comfort’, stond te lezen bij de aanbevelingen. Dat hield in: centrale verwarming, elektrisch licht en een personenlift. Het kon niet op. Van de zeventig kamers hadden er maar liefst twintig bad en toilet, maar op alle kamers was warm en koud stromend water. Op de eerste etage was een imposant restaurant ingericht, terwijl je in het ‘Groot Café-Restaurant’ kon biljarten en kegelen. En, niet te vergeten, er stond een leestafel. Het geheel was ontworpen door de architecten M.J.E. Lippits en N.H.W. Scholte, later onder meer bekend van hun grote woonblok aan de Jozef Israëlskade in het Plan Zuid van Berlage, die er door hun ruime toepassing van art deco-elementen een meesterwerk van maakten. In 1921 werd de Schiller Bar geopend. Die werkte als een magneet op schrijvers, schilders, beeldhouwers en andere kunstenaars. In de Schiller Bar is lange tijd een kunstenaarssociëteit gevestigd geweest. Hier mocht je worden gezien. In 1950 werd het complex grondig opgeknapt - de Duitsers hadden er huisgehouden in de oorlog en de Canadezen na de oorlog. Maar zelfs na die opknapbeurt behield Schiller de sfeer van ietwat vergane glorie.
Althans zo herinner ik het me. In de jaren vijftig en zestig verbleven mijn ouders veelvuldig in het hotel. Mijn vader bracht er zijn buitenlandse gasten onder; strategisch om de hoek van het Thorbeckeplein, waar een bonte verzameling nachtclubs was gevestigd. Ideaal vermaak voor middelbare heren die een paar dagen van huis zijn: animeermeisjes en blote tieten op het toneel. Paris, o la la.
Ik mocht soms mee, niet naar de nachtclubs, maar naar het hotel. Daar leerde ik ‘meneer Frits’ kennen, eigenaar, zoon van stichter George. Mijn vader kon het goed met hem vinden. Frits Schiller was kunstenaar. Mijn ouders waren vol ontzag. Het hotel hing vol met intrigerende landschappen en vooral: portretten. Door Frits Schiller zelf geschilderd. Hij had iets bijzonders, dat was duidelijk. Geen luidruchtige horecabaas, maar een bedachtzaam sprekende intellectueel, die zijn gasten tolereerde. Er kwam nogal eens artistiek volk in het hotel. Frits was gehuwd met een actrice. Een andere wereld dan waar ik vandaan kwam.
Voor mij was de grootste attractie: het restaurant. Niet meer op de eerste verdieping, maar op de begane grond. Als jochie at ik wel eens meer buiten de deur, maar Schiller had iets extra’s. Voor mijn ouders en hun vrienden werd altijd reusachtig uitgepakt, maar meneer Frits wist precies wat kleine jongetjes nodig hadden. Hij liet een aparte tafel voor me dekken en zette me enigszins verborgen neer, achter een kamerscherm. Daar kreeg ik een hoogst persoonlijke bediening. Mijn favoriete menu was: paling op toast vooraf, daarna Wiener schnitzel, gebakken aardappeltjes, gemengde groenten en toe zoveel ijs met slagroom als ik verwerken kon. Ik wilde nooit iets anders. Het meest hield ik van de versiering van de schnitzel: een schijfje citroen, een plakje ei en dan het verrukkelijke stukje ansjovis bovenop. Een meesterwerk, dat in mijn begrip alleen maar bedacht kon zijn door een groot kunstenaar: meneer Frits, dus. Ik ril als ik er aan denk. Na het eten nog even naar de bar - voordat ik naar bed moest. De volwassenen dronken er cognac en rookten dikke sigaren. Frits Schiller kwam even langs om te vragen of alles naar wens was en schonk een glaasje in. Ik hoopte vurig dat ze mij zouden vergeten, dat ik er altijd kon blijven zitten.
Daar gaat ze.
DOOR Elise van Iterson
In mijn tekeningen klinken voetstappen hol. Het zijn taferelen van figuren en objecten, uitgeknipt, losgezongen uit hun vertrouwde omgeving en ergens neergezet. De gespiegelde wereld waarin zij terecht zijn gekomen is een melancholische maar ook een lichte, waarin niet veel meer lijkt te gebeuren dan het simpelweg aanwezig zijn op dat moment. We bekijken het van een afstand: zij zijn daar en ik ben hier, alsof de twee werelden door een glasplaat worden gescheiden, wat voyeuristische gevoelens opwekt.
In mij houden zowel de Belgische traditie van absurdisme huis als de Nederlandse van sereniteit en abstrahering.
Begin november ga ik naar Berlijn. Ik heb daar een tijdje een appartement tot mijn beschikking met de mogelijkheid om aan een grote tafel voor het raam, plaats te nemen.
Daar ga ik een serie tekeningen maken met als onderwerp: Elise's Berlijn. Voor mijn tekeningen plan ik weinig, pas wanneer ik het gevonden heb, weet ik wat ik zocht. Mij een maand door zo'n imponerende stad, los van alles en iedereen, laten leiden, zal mijn werk zeer ten goede komen. Om deze residentie te kunnen bekostigen stelde ik mijn hele kennissenkring voor om mij te sponsoren. Door mij te steunen zal ik ze, zodra ik terug ben, als tegenprestatie een tekening laten kiezen uit de serie die ik daar ga maken.
Aangezien daar massaal op gereageerd is, zal ik elke dag beginnen met een yoga video, waarna ik een wandelingetje door de stad maak en me vervolgens, met een volle boodschappentas en iets dat ik heb opgemerkt en/of gevonden, de rest van de dag opsluit in dat appartement, op de elfde verdieping (de lift gaat tot de tiende) van een Oost-Berlijns flatgebouw. Een bevriende vormgever gaat een boekje maken waar de hele serie in komt te staan. Eind december zullen we het in dit etablissemen presenteren.
"Grüß Gott"
"Wenn ich ihn sehe."
Elise van Iterson
www.elisevaniterson.eu